In deze samenvatting zijn algemene aanbevelingen voor scholen opgenomen rond de drie inhoudelijke thema’s van dit project: pedagogisch-didactische aanpak, benadering van en communicatie met ouders, profilering van de school op inhoud en via gerichte voorlichting.
In het plan van aanpak 1 e fase Integratie op School plan (juni 2005) werden de eerste stappen beschreven om in Rotterdam meer gemengde scholen te krijgen.
In het voorliggende plan van aanpak voor de 2 e fase, wordt de aanpak verbreed en uitgediept. De aanpak in Zuidwijk, Pendrecht, Hoogvliet en Bospolder wordt gepresenteerd. Dit zijn de vier herstructureringsgebieden waarvoor in de eerste fase van Integratie op School is gekozen. Vervolgens wordt in paragraaf 3 de gebiedsgerichte aanpak uitgerold naar een aantal andere wijken: Nieuw Crooswijk, Katendrecht, de Kop van Zuid, Lombardijen, Schiebroek Zuid en Het Lage Land.
Om segregatie in het onderwijs te bestrijden zijn er vijf Rotterdamse maatregelen om tot een evenwichtige leerlingpopulatie op zoveel mogelijk basisscholen te komen: integrale aanpak in herstructureringsgebieden, initiatieven van ouders ondersteunen, dubbele wachtlijsten mogelijk maken, bevorderen van vriendschapsrelaties en monitoren van ‘verkleuring’ van scholen. Door schoolbesturen en gemeente en andere partners wordt fasegewijs gewerkt aan concretisering van deze vijf Rotterdamse maatregelen waarbij in steeds weer andere buurten ervaring opgedaan wordt met een set van concrete activiteiten. In deze brochure een beschrijving van de eerste fase (jan. tot juni 2005).
In Amsterdam worden de zwarte middelbare scholen steeds zwarter en de witte steeds witter. Hoe komt dat? Niet alleen doordat allochtone jongeren vaker in de lagere regionen van het voortgezet onderwijs terecht komen. Ook kiezen allochtone leerlingen eerder voor een school in de buurt dan autochtone leerlingen. Deze verschillende schoolkeuzes zorgen voor grote leerlingstromen in de stad, zo blijkt uit onderzoek van O+S (Dienst Onderwijs en Statistiek Amsterdam).
Op 28 juni 2007 heeft de gemeente Amsterdam, samen met de stadsdelen en de basisscholen in de stad een convenant 'Kleurrijke scholen' afgesloten. Meer informatie hierover vindt u in het nieuwsbericht hierover (zie onder knop 'nieuws'). In het document vindt u de tekst van het convenant.
In een brief aan de Tweede Kamer doet staatssecretaris Sharon Dijksma
- mede namens staatssecretaris Van Bijsterveldt en Minister Van der Laan – de kabinetsreactie toekomen op de volgende rapporten:
- ‘Leerlingen, basisscholen en hun buurt, een onderzoek naar de samenstelling van schoolpopulaties en buurtpopulaties’ van het Kenniscentrum Gemengde Scholen;
- Bestrijding van segregatie in het onderwijs in gemeenten, Verkenning van lokaal beleid anno 2008’ van het SCO-Kohnstamm Instituut in opdracht van Forum.
In haar brief van 13 mei 2008 geeft staatssecretaris Sharon Dijksma in vervolg op haar brief van 8 februari meer informatie aan de Tweede Kamer over de pilots die uitgevoerd zullen worden in de vier grote gemeenten en in Eindhoven, Deventer en Nijmegen.
De bedoeling van de pilots is om in de praktijk te onderzoeken welke maatregelen het beste werken om segregatie tegen te gaan. Er zal in de pilots tevens worden ingezet op ouderinitiatieven, vriendschapsscholen en schoolkeuzeprocessen. Op basis van de pilots wordt bekeken welke maatregelen het beste kunnen worden genomen. De staatssecretaris zal op grond van de bevindingen besluiten of brede invoering van vaste aanmeldmomenten mogelijk en wenselijk is en of ze eventueel zal overgaan tot regelgeving. De aanpak in de pilots moeten leiden tot meer gemengde scholen. Ook zullen via vriendschapsscholen meer contacten moeten plaatsvinden tussen allochtone en autochtone leerlingen.
De pilots hebben een looptijd van vier jaar. Niet elke gemeente hanteert dezelfde aanpak. In de brief wordt beschreven welke middelen de verschillende gemeenten inzetten bij het tegengaan van segregatie.
Er zullen twee ambassadeurs aangesteld worden om het beeld van gemengde scholen en contacten tussen allochtone en autochtone leerlingen positief onder de aandacht te brengen. Een van de twee ambassadeurs is de heer Zeki Arslan. Op korte termijn zal een tweede ambassadeur worden benoemd. De gemeenten en de activiteiten van de ambassadeurs worden ondersteund door het Kenniscentrum Gemengde Scholen.
Op 8 februari verstuurde staatssecretaris Sharon Dijksma een brief aan de Tweede Kamer. In deze brief staat wat het kabinet wil doen om de segregatie in het basisonderwijs aan te pakken en de integratie te bevorderen. Er komen onder andere pilots in Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht, Eindhoven, Nijmegen en Deventer. De bedoeling van deze pilots is in de praktijk te onderzoeken welke segregatiemaatregelen het beste werken met inbegrip van de vaste aanmeldmomenten.
Schoolbesturen en gemeenten kunnen afspraken maken over het aannamebeleid van hun basisscholen. Ze kunnen regels afspreken die segregatie zoveel mogelijk voorkomen. In deze brochure vindt u informatie over spelregels en fases, voorbeelden uit de praktijk, een stappenplan en tips voor succes.
Een (groei)lijst met samenvattingen van onderzoeken, literatuur en andere documenten rond 'controlled choice', een vorm van socio-economische desegregatie die in de VS sterk in opkomst is. Hierbij worden netwerken van scholen gevormd die werken met een gezamenlijk plaatsingsysteem om een evenwichtige verhouding tussen de kansrijke en kansarme leerlingen te bewerkstelligen.
In deze uitgave van de gemeente Nijmegen (februari 2009), die in samenwerking met schoolbesturen gemaakt is, staat concreet beschreven hoe de centrale aanmelding op basisscholen in Nijmegen in z’n werk gaat. De spelregels voor aanmelden, plaatsen en inschrijven worden uitgelegd. Deze uitgave eindigt met een demonstratie waarin concreet getoond wordt hoe een leerling via de website www.schoolwijzer.nl. aangemeld kan worden, hoe de schoolkeuze door ouders aangegeven kan worden en hoe tot slot de aanmelding verzonden wordt.
Bij een scholencarrousel gaan ouders die een school voor hun kind zoeken in groepjes langs scholen bij hen in de buurt. Dat heeft verschillende voordelen zowel voor de ouders als voor het voorkomen van segregatie. In deze brochure vindt u informatie over hoe dit praktisch in z’n werk gaat, over hoe zo’n scholencarrousel op buurtniveau wordt ingezet, over de voorbereiding en de dag zelf. U vindt een stappenplan voor de drie fasen van een scholencarrousel: vóór de tocht, tijdens en daarna. Tevens een aantal tips voor succes.
Scholen die een afspiegeling vormen van hun ‘witte of zwarte’ buurt , kunnen banden smeden met scholen in andere buurten zodat hun leerlingen toch kinderen ontmoeten uit andere sociaaleconomische, etnische of culturele groepen. In deze brochure vindt u achtergrondinformatie, activiteitenideeën en stappenplannen voor gemeenten en scholen.
De bedoeling van deze miniconferentie was om tot een aantal kwaliteitscriteria te komen waar een vriendschapsschool aan moet voldoen. Uit gesprekken komt naar voren dat het belangrijk is dat er sprake is van gelijkwaardigheid tussen scholen, kinderen en ouders. Er is niet één school die de ander helpt maar een gezamenlijk belang om kinderen van'witte'en 'zwarte'scholen met elkaar in contact te brengen.
'Samenscholers'is een muzikaal samenwerkingsproject voor (gesegregeerde) basisscholen om kinderen van zwarte en witte scholen elkaar te laten ontmoeten.
Als middel wordt een muziekvoorstelling gebruikt. Kinderen uit groep 5,6 en 7 van 2 tot 3 verschillende scholen maken een voorstelling vanuit grote zelfgebouwde harmonisch klinkende muziekinstrumenten. Door 'samenscholers'elk schooljaar te laten plaatsvinden zal het contact tussen de scholen gecontinueerd worden.
In de integratiebrief schetst de minister van Wonen, Wijken en Integratie de genomen maatregelen en het beleid in de nabije toekomst.
In onderdeel 3.6 van de brief wordt ingegaan op de aanpak van segregatie in het onderwijs.
Zo wordt in de brief gemeld dat de praktijk laat zien dat ouderinitiatieven fragiel en vaak niet duurzaam zijn en dat het voor het slagen van deze initiatieven noodzakelijk is dat gemeenten en scholen de urgentie voelen en tijdig ingrijpen. Zij hebben ook de wettelijke opdracht hierover te overleggen en afspraken te maken. Waar kansen voor kinderen op het spel staan, mag geen tijd verloren worden.
Tevens wordt gewezen op het belang van ontmoetingen tussen ‘witte’ scholen en scholen met een niet-westerse achtergrond. Via samenwerkingsverbanden met scholen waarop ook kinderen zitten uit andere culturen en met andere levensovertuigingen kan zowel ontmoeting als de overdracht van democratisch gedachtegoed worden bevorderd.
De Amerikaanse onderzoekers Edward Fiske en Helen Ladd vinden dat NRC in een artikel van 20 november hun visie over segregatie in Nederland totaal verkeerd heeft weergegeven. Ze hebben hierover een ingezonden brief aan NRC Handelsblad geschreven.
In NRC Handelsblad van 20 november 2009 werd aandacht besteed aan het onderzoek van Fiske & Ladd. De krant kopte, dat de school als afspiegeling ‘een onzinnig ideaal’ was. Omdat Fiske & Ladd dat nooit gezegd hebben, stuurde het Kenniscentrum een ingezonden brief.
De lange versie van die brief staat op onze website: zie ingezonden brief Kenniscentrum aan NRC
Voorpublicatie van het boek Being Dutch more or less
In dit hoofdstuk staat centraal wat ‘de zwarte school’ als begrip allemaal inhoudt. De verschillende variaties in schoolpopulaties worden belicht. Allerlei vragen komen daarbij aan de orde, zoals: Is er iets mis met de zwarte school? Moeten de keuzen van ouders gereguleerd worden?
Being Dutch, more or less,
In a comparative perspective of USA and Caribbean Practices
ISBN 9789036102100 Rozenberg Publishers
Veel scholen vormen geen afspiegeling van de bevolkingssamenstelling van de wijk en zijn 'te wit' of 'te zwart'. De (lokale) overheid heeft weinig sturingsmogelijkheden om dit proces om te buigen. In twaalf gemeenten zijn pilots gestart om ervaring op te doen met verschillende instrumenten. Het gaat hierbij met name om het centraal aanmeldmoment, maar ook om ouderinitiatieven en vriendschapsscholen. De pilots lopen tot 2012. Regioplan monitort in opdracht van het ministerie van OCW de pilots gedurende de looptijd. Er worden in totaal drie metingen verricht. Dit betreft een verslag van de tweede meting.
Ouders hebben een belangrijke sleutel in handen om de populatie op een school meer gemengd te maken. Sinds 1995 zijn er ouders die het initiatief nemen om scholen een afspiegeling van hun buurt te laten zijn.
Walraven & Haest brachten in 2007 alle ouderinitiatieven in kaart. Ze destilleerden tips, valkuilen en aanbevelingen.
Het Landelijk Kenniscentrum Gemengde Scholen liet het afgelopen voorjaar de stand van zaken anno 2010 onderzoeken. Daarbij ging het om vragen als: hoeveel ouderinitiatieven zijn er op dit moment, welke zijn (nog) actief, hoe succesvol zijn ze en wat valt er te leren in aanvulling op de resultaten van Walraven & Haest uit 2007?
In dit stuk ‘Ouderinitiatieven anno 2010: de stand van zaken’ vindt u de antwoord op die vragen.
In dit essay pleit de socioloog Bowen Paulle ervoor om bij spreiding in het onderwijs vooral uit te gaan van sociaal-economische achterstanden en niet zozeer van etniciteit. Dit biedt volgens hem de beste kansen om integratie te bevorderen, maar vereist wel een geheel andere manier van denken dan op dit moment gebruikelijk is. Het essay wordt afgesloten met vijf concrete aanbevelingen voor beleidsmakers en onderzoekers.
Meer informatie over het werk van Bowen Paulle kunt u vinden op: www.thebridgeresearch.nl.
In dit artikel wordt geschetst hoe ouders, scholen en gemeenten kunnen samenwerken om zwarte en witte scholen meer gemengd te maken en hoe geprobeerd wordt de leerlingpopulatie weer een afspiegeling van de buurt te laten zijn.
Belangrijk is dat ouders in toenemende mate zelf het initiatief nemen om scholen meer gemengd te maken en dat gemeenten deze ouderinitiatieven stimuleren.
Ook tussen ouders en school is tweerichtingsverkeer belangrijk. Als een groep ouders aanklopt bij een school moet de school hier actief op inspelen door met de ouders in gesprek te gaan over zaken als onderwijsaanbod, individuele aandacht voor kinderen, plaatsing in groepen, naschoolse opvang.
In deze handreiking wordt ingegaan op de vraag hoe scholen ontmoetingen tussen leerlingen uit verschillende culturen kunnen bevorderen en welke aanpakken op basis van onderzoek kansrijk worden geacht. De opvatting dat kinderen van verschillende etnisch en sociale groepen elkaar simpelweg moeten ontmoeten, wordt voor de politiek steeds belangrijker. Scholen hebben ongeacht de samenstelling van het leerlingenbestand een wettelijke opdracht om burgerschap en sociale integratie te bevorderen.
In deze handreiking wordt duidelijk dat er afhankelijk van de school allerlei mogelijkheden zijn om aan integratie en burgerschap te werken. De handreiking biedt praktische oplossingen en aanpakken voor zowel het primair als voortgezet onderwijs en is bedoeld voor schoolbesturen en gemeenten.
Auteurs: Sardes
Putnam haalde vorig jaar de internationale media met zijn claim dat etnische diversiteit een bedreiging vormt voor wat hij noemt 'sociaal kapitaal' waarbij het gaat om de bindingen tussen burgers onderling. Onderzoek in veertig Amerikaanse wijken toonde aan dat naarmate wijken meer etnisch gemengd waren het sociale vertrouwen ook lager was. In sterk gemengde wijken trekken burgers zich terug in hun omgeving en hebben ze relatief weinig sociale contacten, aldus Putnam. Putnam daagde collega-onderzoekers uit om deze ‘schildpadhypothese’ voor Europese landen te toetsen.
Dr. Maurice Gesthuizen, drs. Tom van der Meer en prof. dr. Peer Scheeper van het Nijmegen Institute for Social Cultural Research testten Putnams hypothese in 28 Europese landen.
De uitkomsten spreken Putnams betoog tegen. De Nijmeegse onderzoekers vonden geen samenhang tussen etnische diversiteit en sociale cohesie. Wel vonden ze andere verbanden: in landen met een grote inkomensongelijkheid is het sociaal vertrouwen veel lager dan in landen waar de inkomensverschillen minder groot zijn. Ook de democratische geschiedenis van een land blijkt van invloed: 'Hoe langer het land ononderbroken democratisch is, des te groter het vertrouwen. Vooral in de landen van het voormalige Oostblok is het vertrouwen laag’, aldus onderzoeker Gesthuizen.
Hoe zijn de verschillen tussen het Amerikaanse en het Europese onderzoek te verklaren? Er was een methodologisch verschil: Putnam deed onderzoek in wijken en de Nijmeegse sociologen keken naar gemiddelden per land. Maar afgezien daarvan vinden de onderzoekers ook een verklaring in de bredere sociaal-culturele omgeving. Het motto van de Verenigde Staten is: 'E pluribus unum', 'uit velen een', dat van de Europese Unie is: 'unita diversitat', 'verenigd in verscheidenheid'. Etnische diversiteit schrikt Europese burgers niet af, althans niet in het sociale verkeer. De onderzoekers suggereren dat Putnams resultaten mogelijk ook een aspect zijn van American exceptionalism: trends en mechanismen uit de VS gelden niet zonder meer voor de rest van de wereld.
In Europa spelen andere verklaringen een grotere rol. Gesthuizen: ’Economische ongelijkheid vermindert de sociale cohesie. Hoe groter de inkomensverschillen in een land, hoe minder burgers bereid zijn samen te werken en elkaar te helpen. Blijkbaar zijn niet zozeer etnische en culturele, maar veeleer economische scheidslijnen van invloed op de dagelijkse omgang tussen burgers.’
Belangrijker voor de sociale cohesie in Europa is tevens het democratisch verleden van een land. Europa is grofweg in drie blokken op te delen: de oude democratieën van Noordwest-Europa, de voormalige autoritaire regimes van Zuid-Europa en de voormalige communistische landen in Oost-Europa. In het zuiden en het oosten hebben burgers minder vertrouwen in elkaar, geven ze elkaar minder hulp en is het verenigingsleven gemarginaliseerd. Een erfenis van autoritaire en totalitaire periodes, waarin burgers elkaar niet durfden te vertrouwen. Deze factoren – inkomensongelijkheid en democratische geschiedenis – en niet etnische diversiteit, verklaren in Europa de landsverschillen. Om het sociaal kapitaal van Europeanen te stimuleren, kunnen we ons beter richten op het waarborgen van democratische rechten en het reduceren van economische ongelijkheid, aldus de onderzoekers.





